De stichting van de Breese scouts valt samen met en wordt in de hand gewerkt door feiten en gebeurtenissen van de plaatselijke geschiedenis van Bree. We schrijven 1930 en spanningen bij de gelegenheid van de viering van 100 jaar onafhankelijk België leiden tot een breuk o.a. in de harmonie “De Verenigde Vrienden” en ook in de tudentenbond “Frisse Heikracht”. De hiervan afgescheiden groep gaat zich “De Vriendenkring” noemen en zoekt naar een eigen verenigingsleven. De eerste wereldoorlog is pas achter de rug en in de nasleep hiervan speelt de Vlaamse Kwestie een belangrijke hoofdrol in het toenmalige politiek landschap. Jef Vrancken komt in contact met padvinders uit Grobbendonk die hem de eerste inlichtingen verschaffen in verband met padvinderij. Een beweging die op dat ogenblik als zeer progressief en zelfs als gevaarlijk (gezien haar militair karakter) werd beschouwd. De Vriendenkring was echter laaiend enthousiast en met de hulp van de mannen van Grobbendonk vonden de eerste activiteiten plaats in de omgeving van Bree en in de Opitterse bergen. Het leden aantal groeide onder de stimulans van Jef Vrancken.Jef was vooruitziend en dacht al aan de toekomst en zo werd er in 1934 een welpengroep opgericht met Gène Janssens als eerste “Akela”. Onmiddellijk volgde een reactie van gemeentelijke en kerkelijke autoriteiten. Ze zouden die “protestantse beweging”, zonder priesters (stel je voor) kelderen en alle middelen werden hiervoor geschikt. Men oefende druk uit op ouders en lokaalhouders, verboden vergaderingen werden bestraft, activiteiten geboycot en tochten en kampen verstoord. Toch hield de kleine groep moedig stand. Ze zocht contact met padvinders in Maaseik waar er een collegegroep bestond onder leiding van “E.P. Van Elsen” , kruisheer en aalmoezenier. “Eugène Janssens” studeert aan het College in Hasselt en raadpleegt zijn leraar “E.H. Lodewijk Van Winkel” de gekende jeugdschrijver “Lod.Lavki” om aan echte scouting te gaan doen en om officieel erkend te worden. Hier volgt zijn relaas over de gebeurtenissen van 1930.

“21 juli 1930” België viert honderd jaar onafhankelijkheid. Overal feesten, stoeten en ommegangen. Zo ook in Bree. Er moet gevlagd worden en er ontstaat een ruzie tussen “Vaderlandsgezinden” en “Vlaamsgezinden” over het al dan niet meedragen van “De Vlaamse leeuwen vlag”.

De vaderlandsgezinden waaronder enkele aanhangers van de oppositiepartij “Ingelbleek” worden al vlug “ De Blauw” of “De Franskiljons” genoemd (vergeet niet dat de officiële voertaal in het leger en in sommige colleges frans was).

In de harmonie “De verenigde Vrienden” ontstaat er onenigheid en in november 1930 stichten Constant Janssens, Joseph Michels, Eugène Frencken, Alexander Janssens, Achilles Van Lancker, Pierre Janssen, Joseph Janssen, Jan Kristus, Joseph Vrancken, Jaak Aendekerk, Jan Teyssen, Jan Boyen, Willem Waebers, Maxime De Jaeger, Henri Rouwet, Frans Van Broeck, Alfons Van de Ven, en Jan Stifkens een nieuwe vereniging, onder de benaming ”Maatschappij Fanfare Sint-Michiel” en onder de leuze “Door Kunst en Vermaak”.

Ook in de studentenbond “Frisse Heikracht” ontstaat ruzie. Een gedeelte ervan richt onder de leiding van “Albert Van Winkel (Thieke)” een nieuwe studentenbond op “De Vriendenkring”. De vrienden van het eerste uur zijn : Albert Drieskens, Charel Bongaerts, Jefke Gysen, Gaston Kristus, Jef Drijkoningen, René en Raymond Goossens, Jef (van Lei) Vrancken, Frans Geelen en Jean Michiels. Later volgen Jef Vrancken uit de Opitterstraat, Louis Michels, Eugène Janssens, Jef Ryken, Zander Pinxten, Lei Eyckmans en Albert Janssens. De “Vriendenkring” heeft zelfs een eigen uniform : kaki hemd, zwarte broek, rode zakdoek, een Alpino muts en een driekleurig lintje met de naam Vriendenkring. Op voorstel van Jef Vrancken, die in Jemappes studeert waar hij vrienden heeft uit Grobbendonk die reeds vertrouwd zijn met de padvinderij, schakelt men over naar “Scouts”. Eenparig en spontaan wordt Jef Vrancken de eerste “ Master” en daarmee de stichter van de Breese Scouts. Dank zij een gekregen patrouillevlag uit Grobbendonk met een struisvogel als embleem is de eerste patrouille “Struisvogels” een feit. Als tweede patrouille kiezen zij “De Bevers”

(Men mag niet vergeten dat er nog altijd geen sprake is van een officiële erkenning als scoutsgroep). Toch vertrekken Master Jef en Akela Gène in 1933 samen met een nieuwe lichting welpen waaronder Jo Bergmans, Michel Pereboom, Gerard Menten, Jules Vrancken, Tony en Willy Bennett, Raymond Janssens, Frans Eyckmans, Armand en Arthur Janssen op kamp in Rekem.

In Bree zelf wordt de strijd tussen K.S.A. en Scouts met de dag heviger. De autoriteiten Kerk en Gemeente beslissen in te grijpen. Er wordt druk gecorrespondeerd met het Bisdom in Luik met als gevolg dat via Monsigneur Philips, professor aan het groot seminarie van Luik, zijn broer naar het college in Bree word gestuurd om de zaak op te lossen (cfr E.H.R.Philps zelf).

De voorgestelde oplossing die de overheden naar voor brengen houdt in dat de Scouts zich aansluiten bij de K.S.A.in ruil voor het behoud van de specifieke scouts activiteiten. De fusie lijkt te lukken. Er wordt samen vergaderd, gezamenlijke uitstappen gedaan en zelfs meegedaan aan het “Gouwfeest” van de K.S.A. Toch koesteren Jef en Gène een zekere argwaan en wanneer zij aan de leiding van de K.S.A. vragen wanneer men eindelijk zal starten met scoutsactiviteiten krijgen zij het triviale antwoord dat ze eerst maar eens moeten bewijzen goede K.S.A.-ers te zijn vooraleer men zal overwegen een scoutsgroep op te richten. Meteen worden alle bruggen opgeblazen en van dan af heerst er een gespannen vrede tussen Scouts en K.S.A. in Bree. Op het college in Hasselt blijft Gène zijn leraar E.H. Van Winkel (in tussen tijd gouwaalmoezenier geworden) bevragen naar een officiële erkenning en hij is een doorzetter in zoverre dat Van Winkel zelf komt aandragen met een nieuwe Master (Jef Vranken studeert nu aan de militaire school) Felix Vervoort ir. in Reppel fabriek die zijn sporen ruim verdiend had bij de scouts van Beringen-Mijnen. Felix schakelde gans de familie in(broers, zuster en schoonbroer – allen verknochte scouts in Beringen-Mijnen). Van Winkel en Felix zorgden ervoor dat in 1938 de Breese Scouts Groep officieel erkend werd als Onze Lieve Vrouw groep en van dan af ging werken volgens de vormen en structuren in overeenstemming met de statuten van het V.V.K.S.

E.H. Van Winkel werd aalmoezenier van de jonge scoutsgroep en door voortdurend in contact te blijven met Gène Janssens en andere scouts, studenten aan het Sint-Jozefs College van Hasselt (waaronder Louis Michels, Charel en Jan Bongaerts) stimuleerde L. Van Winkel de werking van de nieuwe beweging. Hij ging zelfs mee op kamp in Tulpin (augustus 1938),Dorne, Gruitrode en Opitter. Dank zij de persoonlijke inzet van L. Van Winkel kreeg de scoutsgroep van Bree alhoewel gesticht in 1930 eerst in 1938 een minimum aan bestaansrecht. De parochiale overheid, het college- en lagere school bestuur bleef nauwlettend, en eerder vijandig toezien op deze heidense bende. Dit was, alhoewel niet van harte, uitsluitend te wijten aan de officiële erkenning en aan het morele gezag van gouwaalmoezenier L. Van Winkel. De Breese scouts mochten nu ook deelnemen aan jaarlijkse optochten (processies e.d.), kentekens dragen, vergaderen enz. In 1942 duidde Z.E. Heer Deken Renier een van zijn kapelaans, E.H. Gregoire, aan als aalmoezenier. Deze had echter weinig tijd en had helemaal geen kaas gegeten van enig scoutisme. Kampen, tochten, bosspelen, vlotten bouwen en sjorren bleven mysterieuze handelingen voor hem. Zijn enige activiteit in de groep beperkte zich tot het uitzonderlijk bijwonen van een vergadering. Hoe dan ook, het was dus meer een erkenning dan wel een daadwerkelijke medewerking vanwege de parochie. Aangezien de groep zich uitbreidde was één aalmoezenier niet meer voldoende. Arthur Janssen (jullie lezen goed, nu nog altijd aalmoezenier van de huidige 10° O.L. Vrouwgroep en van VOSOG) reeds seminarist nam contact op met de paters van het Heilig Hart op de Gerkenberg. Daar was pater Boeye bereid om de Voortrekkers (18 jarigen en ouder) te begeleiden. Later werd pater Van Molle aalmoezenier van een nieuwe afdeling, “Meesters-Scouts”. Deze groep bestond uit gehuwde paren die onder leiding van Master Felix Vervoort aangepaste activiteiten en programma’s uitwerkten (bij mijn weten bestonden er alleen maar in Bree Meesters-Scouts aangezien er in de officiële statuten nergens sprake is van Meester- Scouts maar wel van Losse Scouts (in plaatsen waar geen groep bestaat , kunnen jongens een patrouille vormen of individueel om aansluiting verzoeken. Zij hangen rechtstreeks af van de betrokken District Commissaris of Gouw Commissaris of van een door het Verbond gemachtigd Leider – zo staat het in de statuten - ) of van “Vrienden van de scouts” (elke groep en elk district kan een afdeling “Vrienden van de scouts” stichten en deze opgeven aan het Verbond) Men kan dus gerust aannemen dat de scouts van Bree vanaf het prille ontstaan buitenbeentjes zijn in het V.V.K.S..

We hebben eerder al vermeld dat er van bij de stichting van de Breese Scouts een liberale (vrije, milde en onbekrompen gedachte) koers gevaren werd en dit wordt verduidelijk bij het overlopen van de praktiserende aalmoezeniers die de groep hebben begeleid. Goed wetende dat zowel religieuze als seculiere overheden met argus ogen naar de scouts keken heeft de O.L.Vrouw groep altijd kunnen beschikken over gemotiveerde aalmoezeniers (enkele uitzonderingen niet meegerekend). Hun aanstelling was onderworpen aan de goedkeuring van de diocesane overheid en aangezien de structuur van het VVKS door de bisschoppelijke overheid slechts erkend werd als een hulp werk van de “Katholieke Actie” maakte dat zowel parochiale overheden als directeurs en leraars van colleges de oprichting van een scoutsgroep met wantrouwen tegemoet zagen. De groep moest zelf maar ergens een aalmoezenier zien te vinden. Alhoewel reeds gesticht in 1930 heeft de O.L.Vrouw groep tot 1938 moeten wachten om een minimum aan bestaansrecht te krijgen op het college en in de parochie. Dank zij de persoonlijke inzet van gouwaalmoezenier Lodewijk van Winkel kregen de Breese scouts bestaansrecht. Van 1942 tot 1948 werden door deken Z.E. Heer Renier de respectievelijke kapelaans E.H. Gregoire en E.H. Lakatos als instant aalmoezenier aangeduid want het veldwerk werd gedaan door Charel Bongaerts en Eugène Janssens die intussen priester waren gewijd als lid van de Societeit der Witte Paters van Afrika. Voor zijn afreis naar Afrika zorgde vooruitziende Gène voor een vervanger door een collega Witte Pater, Jules Severy, mee te sturen op kamp in Mariënthall(je kan maar beter rekening houden met de curie). Vanaf 1949, het jaar dat ARTHUR JANSSEN priester werd gewijd heeft de groep nooit nog een aalmoezenier moeten zoeken die alle , maar dan ook alle scoutsactiviteiten meemaakte en meemaakt. STILLE BEER of TUUR eerst als student aan de KUL, dan als leraar in Visé en vanaf 1963 als legeraalmoezenier in de toenmalige B.S.D. kent de beweging door en door. Dank zij hem kent de groep scouts en oud scouts nu nog een actieve en bloeiende werking. Hij is een kampioen in plannen, bouwen, fondsen verwerven en in het oplossen en bespreken van delicate hindernissen die het dagelijks scoutswerk kunnen fnuiken (In 1955 heeft hij helemaal in zijn eentje de groep gered van een fatale teloorgang. Daarover later meer).

Er zijn nog enkele aalmoezeniers geweest voor telkens een zeer korte periode o.a. Jaak Thora (W.P.), Jules Bongaerts (W.P), Rudy Pijls (Monfortaan), Jan Roex (SJ), Albert Bongaerts (W.P.) en Jaak Van Baelen (Diocesaan). Wanneer, waarom en voor hoelang hebben we niet kunnen achterhalen (excuses hiervoor).